ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja . LET() . wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat een LID(onbep,stan,agr) een gezelligheid N(soort,ev,basis,zijd,stan) gezelligheid . LET() . ja TSW() ja . LET() . precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies zeker ADJ(vrij,basis,zonder) zeker . LET() . ja TSW() ja . LET() . doen WW(pv,tgw,mv) doen we VNW(pers,pron,nomin,red,1,mv) we nooit BW() nooit hè WW(inf,vrij,zonder) hè ? LET() ? nee TSW() nee precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies niet BW() niet op VZ(init) op deze VNW(aanw,det,stan,prenom,met-e,rest) deze manier N(soort,ev,basis,zijd,stan) manier . LET() . ggg SPEC(onverst) ggg nee TSW() nee . LET() . kijk WW(pv,tgw,ev) kijken je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je eens BW() eens goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de ogen N(soort,mv,basis) oog . LET() . ja TSW() ja . LET() . en VG(neven) en uh TSW() uh . LET() . ja TSW() ja . LET() . . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik was WW(pv,verl,ev) zijn meteen BW() meteen uh TSW() uh naar VZ(init) naar dat VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,evon) dat ding N(soort,ev,basis,onz,stan) ding uh TSW() uh wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je net BW() net liet WW(pv,verl,ev) laten zien WW(inf,vrij,zonder) zien . LET() . ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn volgens VZ(init) volgens mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) mij een LID(onbep,stan,agr) een uh TSW() uh ... LET() ... een LID(onbep,stan,agr) een uh TSW() uh ... LET() ... hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel hippe ADJ(prenom,basis,met-e,stan) hip manier N(soort,ev,basis,zijd,stan) manier van VZ(init) van ... LET() ... reclame N(soort,ev,basis,zijd,stan) reclame maken WW(inf,vrij,zonder) maken . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik denk WW(pv,tgw,ev) denken dat VG(onder) dat 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het mensen N(soort,mv,basis) mens die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die dit VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dit in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de brievenbus N(soort,ev,basis,zijd,stan) brievenbus krijgen WW(inf,vrij,zonder) krijgen uitdaagt WW(pv,tgw,met-t) uitdagen om VZ(init) om meteen BW() meteen te VZ(init) te luisteren WW(inf,vrij,zonder) luisteren . LET() . en VG(neven) en dan BW() dan ... LET() ... hum TSW() hum hum TSW() hum . LET() . voordeel N(soort,ev,basis,onz,stan) voordeel van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de slechte ADJ(prenom,basis,met-e,stan) slecht kwaliteit N(soort,ev,basis,zijd,stan) kwaliteit is WW(pv,tgw,ev) zijn dat VG(onder) dat ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze ook BW() ook nog BW() nog een LID(onbep,stan,agr) een paar N(soort,ev,basis,onz,stan) paar keer N(soort,ev,basis,genus,stan) keer moeten WW(inf,vrij,zonder) moeten luisteren WW(inf,vrij,zonder) luisteren dus BW() dus ... LET() ... ja TSW() ja ja TSW() ja dan BW() dan gaan WW(pv,tgw,mv) gaan ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze zich VNW(refl,pron,obl,red,3,getal) zich goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed concentreren WW(inf,vrij,zonder) concentreren op VZ(init) op dat VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,evon) dat ding N(soort,ev,basis,onz,stan) ding en VG(neven) en dan BW() dan uh TSW() uh ... LET() ... alles VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) alles wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat 'n LID(onbep,stan,agr) wat alles VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) alles wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat een LID(onbep,stan,agr) een adverteerder N(soort,ev,basis,zijd,stan) adverteerder wil WW(pv,tgw,ev) willen . LET() . ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou leuk ADJ(vrij,basis,zonder) leuk . LET() . maar VG(neven) maar je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je krijgt WW(pv,tgw,met-t) krijgen dat VG(onder) dat in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de bus N(soort,ev,basis,zijd,stan) bus dus BW() dus uh TSW() uh ? LET() ? nee TSW() nee ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het volgens VZ(init) volgens mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) mij heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel lang ADJ(vrij,basis,zonder) lang geleden BW() geleden hier VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) hier van VZ(init) van 't LID(bep,stan,evon) het instituut N(soort,ev,basis,onz,stan) instituut meegenomen WW(vd,vrij,zonder) meenemen toen VG(onder) toen iemand VNW(onbep,pron,stan,vol,3p,ev) iemand 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het weg BW() weg wilde WW(pv,verl,ev) willen gooien WW(inf,vrij,zonder) gooien . LET() . ja TSW() ja . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké . LET() . dus BW() dus dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn mijn VNW(bez,det,stan,vol,1,ev,prenom,zonder,agr) mijn historisch ADJ(prenom,basis,zonder) historisch besef N(soort,ev,basis,onz,stan) besef . LET() . ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja . LET() . nee TSW() nee ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik dacht WW(pv,verl,ev) denken dat VG(onder) dat 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het misschien BW() misschien heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel oud ADJ(vrij,basis,zonder) oud zou WW(pv,verl,ev) zullen zijn WW(inf,vrij,zonder) zijn . LET() . zo BW() zo ziet WW(pv,tgw,met-t) zien er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er ook BW() ook 'n LID(onbep,stan,agr) ook beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje uit VZ(fin) uit . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat kan WW(pv,tgw,ev) kunnen natuurlijk ADJ(vrij,basis,zonder) natuurlijk de LID(bep,stan,rest) de vormgeving N(soort,ev,basis,zijd,stan) vormgeving zijn WW(inf,vrij,zonder) zijn . LET() . het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het is WW(pv,tgw,ev) zijn ... LET() ... het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het is WW(pv,tgw,ev) zijn denk WW(pv,tgw,ev) denken ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik ook BW() ook heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel oud ADJ(vrij,basis,zonder) oud . LET() . en VG(neven) en uh TSW() uh misschien BW() misschien een LID(onbep,stan,agr) een manier N(soort,ev,basis,zijd,stan) manier om VZ(init) om om VZ(init) om om VZ(init) om om VZ(init) om bepaalde ADJ(prenom,basis,met-e,stan) bepaald boodschappen N(soort,mv,basis) boodschap door VZ(fin) door te VZ(init) te geven WW(inf,vrij,zonder) geven aan VZ(init) aan uh TSW() uh ... LET() ... want VG(neven) want ... LET() ... ken WW(pv,tgw,ev) kennen jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) jij 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het merk WW(pv,tgw,ev) merken ? LET() ? nee TSW() nee . LET() . Cavasole N(eigen,ev,basis,zijd,stan) Cavasole schoencrème WW(pv,verl,ev) schoencrème . LET() . nee TSW() nee . LET() . nee TSW() nee . LET() . weet WW(pv,tgw,ev) weten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) wat ricineshoudend*n N(soort,mv,basis) wat betekent WW(pv,tgw,met-t) betekenen ? LET() ? uh TSW() uh ricinehouder*u TSW() ricinehouder ? LET() ? Ricinus N(eigen,ev,basis,zijd,stan) Ricinus ? LET() ? nee TSW() nee . LET() . weet WW(pv,tgw,ev) weten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat de LID(bep,stan,rest) de Ricinusplant N(eigen,ev,basis,zijd,stan) Ricinusplant is WW(pv,tgw,ev) zijn ? LET() ? nee TSW() nee ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik weet WW(pv,tgw,ev) weten alleen BW() alleen wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) wat ricine*n N(soort,mv,basis) wat die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die stof N(soort,ev,basis,zijd,stan) stof is WW(pv,tgw,ev) zijn . LET() . dat VG(onder) dat dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat een LID(onbep,stan,agr) een giftige ADJ(prenom,basis,met-e,stan) giftig stof N(soort,ev,basis,zijd,stan) stof is WW(pv,tgw,ev) zijn . LET() . uh TSW() uh waar VNW(vb,adv-pron,obl,vol,3o,getal) waar ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze misschien BW() misschien ook BW() ook wel BW() wel uh TSW() uh ... LET() ... volgens VZ(init) volgens mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) mij is WW(pv,tgw,ev) zijn 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het ... LET() ... de LID(bep,stan,rest) de ... LET() ... wonderolieplant*n N(soort,mv,basis) ... . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? en VG(neven) en hij VNW(pers,pron,nomin,vol,3,ev,masc) hij staat WW(pv,tgw,met-t) staan een LID(onbep,stan,agr) een eindje N(soort,ev,dim,onz,stan) eindje verderop BW() verderop hier VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) hier op VZ(init) op de LID(bep,stan,rest) de gracht N(soort,ev,basis,zijd,stan) gracht . LET() . heeft WW(pv,tgw,met-t) hebben 'n LID(onbep,stan,agr) hebben vingervormig*n ADJ(prenom,basis,zonder) hebben blad N(soort,ev,basis,onz,stan) blad . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké . LET() . lange ADJ(prenom,basis,met-e,stan) lang steel N(soort,ev,basis,zijd,stan) steel . LET() . ja TSW() ja . LET() . en VG(neven) en ... LET() ... daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar hebben WW(pv,tgw,mv) hebben ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze dus BW() dus de LID(bep,stan,rest) de olie N(soort,ev,basis,zijd,stan) olie van VZ(fin) van gebruikt WW(vd,vrij,zonder) gebruiken . LET() . en VG(neven) en daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar wordt WW(pv,tgw,met-t) worden wonderl*a SPEC(afgebr) _ xxx SPEC(onverst) _ de LID(bep,stan,rest) _ wonderbaarlijke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ genezing N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ aan VZ(fin) _ toegedicht WW(vd,vrij,zonder) _ uhm TSW() _ ? LET() _ als VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ de LID(bep,stan,rest) _ reclame N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ moet WW(pv,tgw,ev) _ geloven WW(inf,vrij,zonder) _ wel BW() _ ja TSW() _ . LET() _ oké N(soort,mv,basis) _ . LET() _ oké N(soort,mv,basis) _ nou BW() _ zijn WW(pv,tgw,mv) _ veel VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,basis) _ van VZ(init) _ die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) _ planten N(soort,mv,basis) _ inderdaad BW() _ . LET() _ ja TSW() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ weet WW(pv,tgw,ev) _ er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ niet BW() _ zoveel TW(hoofd,vrij) _ van VZ(fin) _ . LET() _ maar VG(neven) _ uh TSW() _ ... LET() _ zit WW(pv,tgw,ev) _ jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) _ daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) _ een LID(onbep,stan,agr) _ beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ in VZ(fin) _ of VG(neven) _ uh TSW() _ ? LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ ben WW(pv,tgw,ev) _ plantengek*n WW(vd,vrij,zonder) _ . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? ja TSW() ja . LET() . dus BW() dus je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je weet WW(pv,tgw,ev) weten ook BW() ook wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) wat van VZ(init) van geneeskrachtige ADJ(prenom,basis,met-e,stan) geneeskrachtig uh TSW() uh ... LET() ... ja TSW() ja . LET() . planten N(soort,mv,basis) plant en VG(neven) en kruiden N(soort,mv,basis) kruid en VG(neven) en zo BW() zo ? LET() ? zeg WW(pv,tgw,ev) zeggen maar BW() maar wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je hebt WW(pv,tgw,met-t) hebben en VG(neven) en ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik uh TSW() uh ... LET() ... ggg SPEC(onverst) ggg nee TSW() nee oké WW(inf,vrij,zonder) oké maar VG(neven) maar ge*a SPEC(afgebr) _ heb WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ ook BW() _ zelf BW() _ wel BW() _ eens BW() _ toegepast WW(vd,vrij,zonder) _ of VG(neven) _ uh TSW() _ ge*a SPEC(afgebr) _ gebruikt WW(vd,vrij,zonder) _ of VG(neven) _ geef WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ zeg WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ wel BW() _ eens BW() _ tegen VZ(init) _ mensen N(soort,mv,basis) _ van VZ(init) _ nou BW() _ uh TSW() _ ... LET() _ maak WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ voor VZ(init) _ je VNW(pr,pron,obl,red,2v,getal) _ klaar ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ weet WW(pv,tgw,ev) _ jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) _ weet WW(pv,tgw,ev) _ jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ ... LET() _ zogenaamde ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ onkruidplant*n N(soort,mv,basis) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je kan WW(pv,tgw,ev) kunnen eten WW(inf,vrij,zonder) eten ? LET() ? een LID(onbep,stan,agr) een onkruidplant*n N(soort,ev,basis,zijd,stan) een die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je kan WW(pv,tgw,ev) kunnen eten WW(inf,vrij,zonder) eten ? LET() ? ja TSW() ja ? LET() ? uh TSW() uh ... LET() ... brandnetel N(soort,ev,basis,zijd,stan) brandnetel ? LET() ? is WW(pv,tgw,ev) zijn dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat iets VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) iets wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er onder VZ(fin) onder valt WW(pv,tgw,met-t) vallen ? LET() ? heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed . LET() . heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed brandnetel N(soort,ev,basis,onz,stan) brandnetel . LET() . brandnetel N(soort,ev,basis,zijd,stan) brandnetel . LET() . ja TSW() ja . LET() . paardenbloemen N(soort,mv,basis) . . LET() . brandnetelsoep*n N(soort,mv,basis) . . LET() . paardenbloemen N(soort,mv,basis) . inderdaad BW() inderdaad . LET() . maar VG(neven) maar g*a SPEC(afgebr) _ uh TSW() _ wordt WW(pv,tgw,met-t) _ daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) _ ook BW() _ uh TSW() _ geneeskrachtige ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ ... LET() _ werking N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ aan VZ(fin) _ toegekend WW(vd,vrij,zonder) _ ? LET() _ absoluut ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ paardenbloem N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ heeft WW(pv,tgw,met-t) _ uh TSW() _ reinig*a SPEC(afgebr) _ bloedreinigende*n N(soort,mv,basis) _ factor N(soort,ev,basis,zijd,stan) factor . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? ja TSW() ja . LET() . en VG(neven) en brandnetel N(soort,ev,basis,zijd,stan) brandnetel ? LET() ? brandnetel N(soort,ev,basis,zijd,stan) brandnetel idem SPEC(vreemd) idem dito SPEC(vreemd) dito moet WW(pv,tgw,ev) moeten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je dus BW() dus in VZ(init) in begin N(soort,ev,basis,onz,stan) begin van VZ(init) van 't LID(bep,stan,evon) het jaar N(soort,ev,basis,onz,stan) jaar ... LET() ... de LID(bep,stan,rest) de natuur N(soort,ev,basis,zijd,stan) natuur zit WW(pv,tgw,ev) zitten perfect ADJ(vrij,basis,zonder) perfect in VZ(init) in elkaar VNW(recip,pron,obl,vol,persoon,mv) elkaar . LET() . in VZ(init) in 't LID(bep,stan,evon) het begin N(soort,ev,basis,onz,stan) begin van VZ(init) van het LID(bep,stan,evon) het jaar N(soort,ev,basis,onz,stan) jaar als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je ... LET() ... dus BW() dus de LID(bep,stan,rest) de hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel winterslaap N(soort,ev,basis,zijd,stan) winterslaap hebt WW(pv,tgw,met-t) hebben gehad WW(vd,vrij,zonder) hebben . LET() . ja TSW() ja . LET() . en VG(neven) en de LID(bep,stan,rest) de brandnetels N(soort,mv,basis) brandnetel komen WW(pv,tgw,mv) komen uit VZ(fin) uit . LET() . moet WW(pv,tgw,ev) moeten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je de LID(bep,stan,rest) de eerste TW(rang,prenom,stan) eerste topjes N(soort,mv,dim) topje pakken WW(inf,vrij,zonder) pakken en VG(neven) en dan BW() dan reinigt WW(pv,tgw,met-t) reinigen dat VG(onder) dat jouw VNW(bez,det,stan,vol,2v,ev,prenom,zonder,agr) jouw bloed N(soort,ev,basis,onz,stan) bloed ben WW(pv,tgw,ev) zijn je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je klaar ADJ(vrij,basis,zonder) klaar voor VZ(init) voor de LID(bep,stan,rest) de ... LET() ... verse ADJ(prenom,basis,met-e,stan) vers zomer N(soort,ev,basis,zijd,stan) zomer . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? zeggen WW(pv,tgw,mv) zeggen ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké . LET() . ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn wel BW() wel vaak ADJ(vrij,basis,zonder) vaak zo BW() zo . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat zo BW() zo iedereen VNW(onbep,pron,stan,vol,3p,ev) iedereen zegt WW(pv,tgw,met-t) zeggen nou BW() nou artsen N(soort,mv,basis) arts zeggen WW(pv,tgw,mv) zeggen ook BW() ook van VZ(init) van nou BW() nou ... LET() ... 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het zal WW(pv,tgw,ev) zullen wel BW() wel wel BW() wel en VG(neven) en dan BW() dan blijkt WW(pv,tgw,met-t) blijken er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er achteraf BW() achteraf toch BW() toch een LID(onbep,stan,agr) een d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er in VZ(fin) in te VZ(init) te zitten WW(inf,vrij,zonder) zitten die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die uh TSW() uh ... LET() ... ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou bijvoorbeeld BW() bijvoorbeeld de LID(bep,stan,rest) de naam N(soort,ev,basis,zijd,stan) naam van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de plant N(soort,ev,basis,zijd,stan) plant zegt WW(pv,tgw,met-t) zeggen 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het vaak ADJ(vrij,basis,zonder) vaak al BW() al . LET() . ogentroost N(soort,ev,basis,zijd,stan) ogentroost . LET() . goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed voor VZ(init) voor je VNW(bez,det,stan,red,2v,ev,prenom,zonder,agr) je ogen N(soort,mv,basis) oog . LET() . ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja . LET() . maagdenpalm N(soort,ev,basis,zijd,stan) maagdenpalm . LET() . waar VNW(vb,adv-pron,obl,vol,3o,getal) waar zou WW(pv,verl,ev) zullen dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat voor VZ(init) voor zijn WW(inf,vrij,zonder) zijn ? LET() ? maagdenpalm N(soort,ev,basis,zijd,stan) maagdenpalm ? LET() ? nou BW() nou 'n LID(onbep,stan,agr) nou anticonceptiemiddel N(soort,ev,basis,zijd,stan) anticonceptiemiddel of VG(neven) of zo BW() zo . LET() . nou BW() nou mag WW(pv,tgw,ev) mogen jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) jij eventjes BW() eventjes . LET() . nou BW() nou mag WW(pv,tgw,ev) mogen jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) jij eventjes BW() eventjes . LET() . ggg SPEC(onverst) ggg anticonceptie N(soort,ev,basis,zijd,stan) anticonceptie of VG(neven) of uh TSW() uh iets VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) iets ? LET() ? nou BW() nou daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar hadden WW(pv,verl,mv) hebben daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar hadden WW(pv,verl,mv) hebben ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze vroeger ADJ(vrij,comp,zonder) vroeg toch BW() toch geen VNW(onbep,det,stan,prenom,zonder,agr) geen problemen N(soort,mv,basis) probleem mee VZ(fin) mee ? LET() ? nee TSW() nee ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik weet WW(pv,tgw,ev) weten 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het niet BW() niet . LET() . laat WW(pv,tgw,ev) laten de LID(bep,stan,rest) de kindertjes N(soort,mv,dim) kind maar BW() maar komen WW(inf,vrij,zonder) komen . LET() . ja TSW() ja da's N(soort,mv,basis) da's waar ADJ(vrij,basis,zonder) waar . LET() . gaat WW(pv,tgw,met-t) gaan heen VZ(fin) heen en VG(neven) en vermenigvuldigt WW(pv,tgw,met-t) vermenigvuldigen u VNW(pers,pron,nomin,vol,2b,getal) u was WW(pv,verl,ev) zijn 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het uh TSW() uh ... LET() ... precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies uh TSW() uh ... LET() ... wij VNW(pers,pron,nomin,vol,1,mv) wij zijn WW(pv,tgw,mv) zijn 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het eventjes BW() eventjes aan VZ(init) aan het LID(bep,stan,evon) het misbruiken WW(inf,nom,zonder,zonder-n) misbruiken maar VG(neven) maar ... LET() ... ggg SPEC(onverst) ggg maagdenpalm N(soort,ev,basis,zijd,stan) maagdenpalm is WW(pv,tgw,ev) zijn uh TSW() uh w*a SPEC(afgebr) _ ... LET() _ ja TSW() _ . LET() _ nee TSW() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ weet WW(pv,tgw,ev) _ niet BW() _ you*v SPEC(vreemd) _ tell*v SPEC(vreemd) _ me*v SPEC(vreemd) _ . LET() _ alles VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) _ voor VZ(init) _ uh TSW() _ wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) _ te VZ(init) _ maken WW(inf,vrij,zonder) _ heeft WW(pv,tgw,met-t) _ met VZ(init) _ vrouwelijke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ voortplantingsorganen N(soort,mv,basis) _ . LET() _ oké N(soort,mv,basis) _ oké WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ na VZ(init) _ bevalling N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ ... LET() _ ja TSW() _ ja TSW() _ met VZ(init) _ allerlei ADJ(prenom,basis,zonder) _ allerhande BW() _ problemen N(soort,mv,basis) _ met VZ(init) _ uh TSW() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ lievevrouwebedstro N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ nog BW() _ zo'n VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,agr) _ mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ . LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ vind WW(pv,tgw,ev) _ die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) _ namen N(soort,mv,basis) _ altijd BW() _ wel BW() _ mooi ADJ(vrij,basis,zonder) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) _ ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) _ d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ aan VZ(fin) _ geven WW(inf,vrij,zonder) _ inderdaad BW() _ dat VG(onder) _ uh TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ xxx SPEC(onverst) _ ja TSW() _ . LET() _ eeuwe*a SPEC(afgebr) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ zijn WW(pv,tgw,mv) _ vaak ADJ(vrij,basis,zonder) _ eeuwenoude ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ uh TSW() _ ... LET() _ ja TSW() _ . LET() _ hondsdraf N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ ken WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ ? LET() _ wijsheden N(soort,mv,basis) _ al BW() _ hè WW(inf,vrij,zonder) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ uh TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ hondsdraf N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ is WW(pv,tgw,ev) _ toch BW() _ is WW(pv,tgw,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ niet BW() _ tegen VZ(init) _ brandnetels N(soort,mv,basis) _ ook BW() _ ? LET() _ of VG(neven) _ ? LET() _ waar VNW(vb,adv-pron,obl,vol,3o,getal) _ was WW(pv,verl,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ ook BW() _ al BW() _ weer BW() _ ? LET() _ nee TSW() _ da's N(soort,mv,basis) _ weegbree N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ weegbree TSW() _ oké N(soort,mv,basis) _ . LET() _ weegbree TSW() _ . LET() _ weegbree TSW() _ staat WW(pv,tgw,met-t) _ meestal BW() _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ buurt N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ van VZ(init) _ brandnetel N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ dus BW() _ als VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ je VNW(pr,pron,obl,red,2v,getal) _ aan VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ brandnetel N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ geprikt WW(vd,vrij,zonder) _ hebt WW(pv,tgw,met-t) _ dan BW() _ staat WW(pv,tgw,met-t) _ er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ een LID(onbep,stan,agr) _ weegbree N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ klaar ADJ(vrij,basis,zonder) _ om VZ(init) _ je VNW(pr,pron,obl,red,2v,getal) _ weer BW() _ te VZ(init) _ helpen WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ oké N(soort,mv,basis) _ . LET() _ nou BW() _ d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ staat WW(pv,tgw,met-t) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ iets VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) _ bij VZ(fin) _ van VZ(init) _ hondsdraf N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ uit VZ(init) _ mijn VNW(bez,det,stan,vol,1,ev,prenom,zonder,agr) _ jeugd N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ of VG(neven) _ dat VG(onder) _ iemand VNW(onbep,pron,stan,vol,3p,ev) _ mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ ooit BW() _ verteld WW(vd,vrij,zonder) _ heeft WW(pv,tgw,met-t) _ . LET() _ maar VG(neven) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ zou WW(pv,verl,ev) _ niet BW() _ weten WW(inf,vrij,zonder) _ wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ uh TSW() _ . LET() _ hondsdraf N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ is WW(pv,tgw,ev) _ een LID(onbep,stan,agr) _ is WW(pv,tgw,ev) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ onkruidje*n N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ met VZ(init) met een LID(onbep,stan,agr) een een LID(onbep,stan,agr) een heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel aardig ADJ(prenom,basis,zonder) aardig paars ADJ(prenom,basis,zonder) paars bloemetje N(soort,ev,dim,onz,stan) bloem . LET() . 'n LID(onbep,stan,agr) . beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje 'n LID(onbep,stan,agr) beetje rond VZ(init) rond blad N(soort,ev,basis,onz,stan) blad . LET() . dus BW() dus als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat op VZ(init) op de LID(bep,stan,rest) de grond N(soort,ev,basis,zijd,stan) grond ziet WW(pv,tgw,met-t) zien is WW(pv,tgw,ev) zijn 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het net BW() net of VG(onder) of daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar een LID(onbep,stan,agr) een hond N(soort,ev,basis,zijd,stan) hond ... LET() ... op VZ(init) op xxx SPEC(onverst) xxx 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het heeft WW(pv,tgw,met-t) hebben ook BW() ook vaste ADJ(prenom,basis,met-e,stan) vast afstand N(soort,ev,basis,zijd,stan) afstand tussen VZ(init) tussen de LID(bep,stan,rest) de ... LET() ... blaadjes N(soort,mv,dim) blaadje en VG(neven) en dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het net BW() net of VG(onder) of d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er een LID(onbep,stan,agr) een hond N(soort,ev,basis,zijd,stan) hond lo*a SPEC(afgebr) _ hond N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ gelopen WW(vd,vrij,zonder) _ heeft WW(pv,tgw,met-t) _ of VG(neven) _ . LET() _ de LID(bep,stan,rest) _ sporen N(soort,mv,basis) _ van VZ(init) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ hond N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ zie*a SPEC(afgebr) _ . LET() _ ja TSW() _ ja TSW() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ printjes*n N(soort,mv,basis) _ van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de ... LET() ... vandaar BW() vandaar daarom BW() daarom de LID(bep,stan,rest) de naam N(soort,ev,basis,zijd,stan) naam ook BW() ook ja TSW() ja . LET() . daarom BW() daarom heet WW(pv,tgw,ev) heten 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het hondsdr*a SPEC(afgebr) _ . LET() _ en VG(neven) _ zijn WW(pv,tgw,mv) _ er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ nog BW() _ uh TSW() _ bepaalde ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ kruiden N(soort,mv,basis) _ tegen VZ(init) _ allergie N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ bijvoorbeeld BW() _ ? LET() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ vind WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ dan BW() _ wel BW() _ weer BW() _ interessant ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ zal WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ voor VZ(init) _ u VNW(pr,pron,obl,vol,2,getal) _ opzoeken WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ pollen N(soort,mv,basis) _ en VG(neven) _ zo BW() _ . LET() _ 'k VNW(pers,pron,nomin,red,1,ev) _ zal WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ voor VZ(init) _ u VNW(pr,pron,obl,vol,2,getal) _ opzoeken WW(inf,vrij,zonder) _ zou WW(pv,verl,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ zo BW() _ niet BW() _ uit VZ(init) _ m'n VNW(bez,det,stan,red,1,ev,prenom,zonder,agr) _ hoofd N(soort,ev,basis,onz,stan) _ weten WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ kijk WW(pv,tgw,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ is WW(pv,tgw,ev) _ dan BW() _ altijd BW() _ interessant ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ oké N(soort,mv,basis) _ . LET() _ zou WW(pv,verl,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ eigenlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ moeten WW(inf,vrij,zonder) _ weten WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ ja TSW() _ nou BW() _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ bedoel WW(pv,tgw,ev) _ jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) _ wist WW(pv,verl,ev) _ al BW() _ aardig ADJ(vrij,basis,zonder) _ wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) _ . LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ bedoel WW(pv,tgw,ev) _ uh TSW() _ komt WW(pv,tgw,met-t) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ want VG(neven) _ heb WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ zelf BW() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ nou BW() _ ja TSW() _ . LET() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ is WW(pv,tgw,ev) _ altijd BW() _ wel BW() _ interessant ADJ(vrij,basis,zonder) _ inderdaad BW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ zijn WW(pv,tgw,mv) _ heksenboekjes*n N(soort,mv,basis) _ . LET() . ja TSW() ja ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik weet WW(pv,tgw,ev) weten nog BW() nog een LID(onbep,stan,agr) een uh TSW() uh jongen N(soort,ev,basis,zijd,stan) jongen van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de middelbare ADJ(prenom,basis,met-e,stan) middelbaar school N(soort,ev,basis,zijd,stan) school die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die had WW(pv,verl,ev) hebben zo'n VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,agr) zo'n boek N(soort,ev,basis,onz,stan) boek met VZ(init) met allemaal BW() allemaal oude ADJ(prenom,basis,met-e,stan) oud kruiden N(soort,mv,basis) kruid beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje druïdeachtige*n WW(inf,vrij,zonder) beetje dinges N(soort,ev,basis,zijd,stan) dinges uh TSW() uh dingen N(soort,mv,basis) ding vond WW(pv,verl,ev) vinden ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik uh TSW() uh ... LET() ... ja TSW() ja . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat was WW(pv,verl,ev) zijn toch BW() toch wel BW() wel interessant ADJ(vrij,basis,zonder) interessant inderdaad BW() inderdaad 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het was WW(pv,verl,ev) zijn een LID(onbep,stan,agr) een heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel oud ADJ(prenom,basis,zonder) oud boek N(soort,ev,basis,onz,stan) boek . LET() . ja TSW() ja . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben ... LET() ... ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben 'n LID(onbep,stan,agr) heb aantal N(soort,ev,basis,onz,stan) aantal van VZ(init) van die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) die boekjes N(soort,mv,dim) boek van VZ(init) van m'n VNW(bez,det,stan,red,1,ev,prenom,zonder,agr) mijn vader N(soort,ev,basis,zijd,stan) vader geërfd WW(vd,vrij,zonder) erven . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel interessant ADJ(vrij,basis,zonder) interessant . LET() . paddenstoelen N(soort,mv,basis) . . LET() . ook BW() ook zoiets VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) zoiets . LET() . paddenstoelen N(soort,mv,basis) . . LET() . oh TSW() oh ja TSW() ja . LET() . durf WW(pv,tgw,ev) durven jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) jij zelf BW() zelf paddenstoelen WW(inf,vrij,zonder) zelf te VZ(init) te verzamelen WW(inf,vrij,zonder) verzamelen ? LET() ? nee TSW() nee . LET() . nee TSW() nee . LET() . want VG(neven) want daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar zit WW(pv,tgw,ev) zitten toch BW() toch wel BW() wel een LID(onbep,stan,agr) een risico N(soort,ev,basis,onz,stan) risico aan VZ(fin) aan volgens VZ(init) volgens mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) mij uh TSW() uh ... LET() ... nou BW() nou ja TSW() ja goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het nooit BW() nooit gedaan WW(vd,vrij,zonder) doen . LET() . en VG(neven) en ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik denk WW(pv,tgw,ev) denken waarschijnlijk ADJ(vrij,basis,zonder) waarschijnlijk . LET() . je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je moet WW(pv,tgw,ev) moeten er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er wel BW() wel wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) wat van VZ(fin) van af VZ(fin) af weten WW(inf,vrij,zonder) weten om VZ(init) om 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed te VZ(init) te doen WW(inf,vrij,zonder) doen . LET() . dan BW() dan is WW(pv,tgw,ev) zijn 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het wel BW() wel te VZ(init) te doen WW(inf,vrij,zonder) doen xxx SPEC(onverst) xxx . LET() . zou WW(pv,verl,ev) zullen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je zou WW(pv,verl,ev) zullen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je één N(soort,mv,basis) één paddenstoel N(soort,ev,basis,zijd,stan) één herkennen WW(inf,vrij,zonder) herkennen waarvan BW() waarvan je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je zeker ADJ(vrij,basis,zonder) zeker weet WW(pv,tgw,ev) weten dat VG(onder) dat je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je 'm VNW(pers,pron,obl,red,3,ev,masc) hem kunt WW(pv,tgw,met-t) kunnen eten WW(inf,vrij,zonder) eten ? LET() ? nee TSW() nee . LET() . want VG(neven) want waarschijnlijk ADJ(vrij,basis,zonder) waarschijnlijk ne*a SPEC(afgebr) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ weet WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ dus BW() _ niet BW() _ eens BW() _ . LET() _ want VG(neven) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ neem WW(pv,tgw,ev) _ aan VZ(fin) _ dat VG(onder) _ er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ altijd BW() _ wel BW() _ paddenstoelen N(soort,mv,basis) _ zijn WW(pv,tgw,mv) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) _ lijken WW(pv,tgw,mv) _ op VZ(init) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ andere ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ paddenstoel N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ en VG(neven) _ de LID(bep,stan,rest) _ één N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ is WW(pv,tgw,ev) _ giftig ADJ(vrij,basis,zonder) _ en VG(neven) _ de LID(bep,stan,rest) _ ander ADJ(nom,basis,zonder,zonder-n) _ niet BW() _ . LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ bedoel WW(pv,tgw,ev) _ neem WW(pv,tgw,ev) _ aan VZ(fin) _ dat VG(onder) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ wel BW() _ gebeurt WW(pv,tgw,met-t) _ . LET() _ zou WW(pv,verl,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ ... LET() _ eekhoorntjesbrood N(soort,ev,basis,onz,stan) _ herkennen WW(inf,vrij,zonder) _ ? LET() _ nee TSW() _ . LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ denk WW(pv,tgw,ev) _ alleen BW() _ dat VG(onder) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ grote ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ zwam N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ herken WW(pv,tgw,ev) _ . LET() _ en VG(neven) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ uh TSW() _ ... LET() _ verder ADJ(vrij,comp,zonder) _ uh TSW() _ ... LET() _ verder ADJ(vrij,comp,zonder) _ niet BW() _ . LET() _ weet WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ 't LID(bep,stan,evon) _ verschil N(soort,ev,basis,onz,stan) _ tussen VZ(init) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ plaatjeszwam*n N(soort,mv,basis) _ en VG(neven) en 'n LID(onbep,stan,agr) en gaatjeszwam N(soort,ev,basis,zijd,stan) gaatjeszwam ? LET() ? champignons N(soort,mv,basis) champignon . LET() . nee TSW() nee . LET() . heeft WW(pv,tgw,met-t) hebben dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat met VZ(init) met die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) die uh TSW() uh ... LET() ... met VZ(init) met die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) die draden N(soort,mv,basis) draad te VZ(init) te maken WW(inf,vrij,zonder) maken ? LET() ? ja TSW() ja ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik zit WW(pv,tgw,ev) zitten helemaal BW() helemaal in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de ... LET() ... ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja . LET() . boleten N(soort,mv,basis) boleet die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die hebben WW(pv,tgw,mv) hebben gaatjes N(soort,mv,dim) gaatje . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn spons N(soort,ev,basis,zijd,stan) spons als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat ziet WW(pv,tgw,met-t) zien . LET() . ja TSW() ja . LET() . en VG(neven) en bijvoorbeeld BW() bijvoorbeeld 'n LID(onbep,stan,agr) bijvoorbeeld vliegenzwam N(soort,ev,basis,zijd,stan) bijvoorbeeld nou BW() nou die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die moet WW(pv,tgw,ev) moeten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je herkennen WW(inf,vrij,zonder) herkennen . LET() . een LID(onbep,stan,agr) een vliegenzwam N(soort,ev,basis,zijd,stan) een ja TSW() ja dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat uh TSW() uh ... LET() ... vliegenzwam N(soort,ev,basis,zijd,stan) ... oh TSW() oh nou BW() nou ? LET() ? is WW(pv,tgw,ev) zijn dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) die rood ADJ(vrij,basis,zonder) rood met VZ(init) met witte ADJ(prenom,basis,met-e,stan) wit ... LET() ... rood*u TSW() rood met*u SPEC(onverst) met witte*u TSW() witte stippen*u TSW() stippen ja TSW() ja . LET() . rood ADJ(vrij,basis,zonder) rood met VZ(init) met witte ADJ(prenom,basis,met-e,stan) wit stippen N(soort,mv,basis) stip ja TSW() ja . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat weet WW(pv,tgw,ev) weten ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik nog BW() nog wel BW() wel . LET() . ja TSW() ja nou BW() nou die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die is WW(pv,tgw,ev) zijn dus BW() dus zwaar ADJ(vrij,basis,zonder) zwaar giftig ADJ(vrij,basis,zonder) giftig . LET() . dus BW() dus die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die herken WW(pv,tgw,ev) herkennen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je . LET() . oh TSW() oh die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die is WW(pv,tgw,ev) zijn zwaar ADJ(vrij,basis,zonder) zwaar giftig ADJ(vrij,basis,zonder) giftig ? LET() ? die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die is WW(pv,tgw,ev) zijn zwaar ADJ(vrij,basis,zonder) zwaar giftig ADJ(vrij,basis,zonder) giftig . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat vond WW(pv,verl,ev) vinden ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik altijd BW() altijd wel BW() wel mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) mooi vroeger ADJ(vrij,comp,zonder) vroeg . LET() . eekhoorntjesbrood N(soort,ev,basis,onz,stan) eekhoorntjesbrood is WW(pv,tgw,ev) zijn ongelofelijk ADJ(vrij,basis,zonder) ongelofelijk lekker ADJ(vrij,basis,zonder) lekker dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn 'n LID(onbep,stan,agr) is kunnen WW(pv,tgw,mv) kunnen hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel grote ADJ(prenom,basis,met-e,stan) groot paddenstoelen N(soort,mv,basis) groot worden WW(pv,tgw,mv) worden . LET() . bruinig*n N(soort,mv,basis) . . LET() . hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel dikke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) dik steel N(soort,ev,basis,zijd,stan) steel . LET() . erg ADJ(vrij,basis,zonder) erg lekker ADJ(vrij,basis,zonder) lekker . LET() . hum TSW() hum . LET() . ja TSW() ja ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik vind WW(pv,tgw,ev) vinden paddenstoelen N(soort,mv,basis) vinden ontzettend ADJ(vrij,basis,zonder) ontzettend lekker ADJ(vrij,basis,zonder) lekker . LET() . lekker ADJ(vrij,basis,zonder) lekker een LID(onbep,stan,agr) een beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje bakken N(soort,mv,basis) bak met VZ(init) met 'n LID(onbep,stan,agr) met beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje olijfolie N(soort,ev,basis,zijd,stan) olijfolie en VG(neven) en knoflook N(soort,ev,basis,zijd,stan) knoflook . LET() . heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) heerlijk . LET() . ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze hebben WW(pv,tgw,mv) hebben schitterende ADJ(prenom,basis,met-e,stan) schitterend namen N(soort,mv,basis) naam . LET() . fluweelpootje*n N(soort,mv,basis) . . LET() . heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) heerlijk . LET() . xxx SPEC(onverst) xxx jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) jij verzamelt WW(pv,tgw,met-t) verzamelen ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze ook BW() ook zelf BW() zelf ? LET() ? de LID(bep,stan,rest) de hoedjes N(soort,mv,dim) hoed . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik als VG(onder) als ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze zie WW(pv,tgw,ev) zien dan BW() dan uh TSW() uh en VG(neven) en dan BW() dan krijg WW(pv,tgw,ev) krijgen ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik van VZ(init) van mijn VNW(bez,det,stan,vol,1,ev,prenom,zonder,agr) mijn kinderen N(soort,mv,basis) kind op VZ(init) op m'n VNW(bez,det,stan,red,1,ev,prenom,zonder,agr) mijn vingers N(soort,mv,basis) vinger . LET() . ja TSW() ja omdat VG(onder) omdat 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het uh TSW() uh ? LET() ? mam N(soort,ev,basis,zijd,stan) mam je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je bent WW(pv,tgw,met-t) zijn 'n LID(onbep,stan,agr) bent paddo*n N(soort,ev,basis,zijd,stan) bent . LET() . ggg SPEC(onverst) ggg paddo*n N(soort,mv,basis) ggg . LET() . en VG(neven) en daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar hebben WW(pv,tgw,mv) hebben de LID(bep,stan,rest) de honden N(soort,mv,basis) hond op VZ(init) op gepiest N(soort,ev,basis,zijd,stan) piesen . LET() . dus BW() dus . LET() . nee TSW() nee ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik krijg WW(pv,tgw,ev) krijgen nooit BW() nooit krijg WW(pv,tgw,ev) krijgen nooit BW() nooit de LID(bep,stan,rest) de kans N(soort,ev,basis,zijd,stan) kans . LET() . ja TSW() ja ja TSW() ja . LET() . onkruid N(soort,ev,basis,onz,stan) onkruid ook BW() ook niet BW() niet . LET() . zelfs BW() zelfs ... LET() ... uit VZ(init) uit me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) me eigen ADJ(prenom,basis,zonder) eigen tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) tuin ... LET() ... ja TSW() ja ? LET() ? weigeren WW(pv,tgw,mv) weigeren ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze ... LET() ... nou BW() nou dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat juist BW() juist wel BW() wel weer BW() weer goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed zijn WW(inf,vrij,zonder) zijn zeg WW(pv,tgw,ev) zeggen maar BW() maar . LET() . paddenstoelen N(soort,mv,basis) . of VG(neven) of . LET() . want VG(neven) want dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn onbespoten ADJ(prenom,basis,zonder) onbespoten en VG(neven) en on*a SPEC(afgebr) _ weet WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ veel VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,basis) _ . LET() _ nee TSW() _ maar VG(neven) _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ al VNW(onbep,det,stan,vrij,zonder) _ die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) _ vogeltjes N(soort,mv,dim) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) _ d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ over VZ(fin) _ vliegen WW(inf,vrij,zonder) _ en VG(neven) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) _ d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ precies ADJ(vrij,basis,zonder) _ op VZ(fin) _ piesen WW(inf,vrij,zonder) _ of VG(neven) _ poepen WW(inf,vrij,zonder) _ dus BW() _ uh TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ ja TSW() _ ja TSW() _ ja TSW() _ zo BW() _ maar VG(neven) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ doen WW(pv,tgw,mv) _ ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) _ misschien BW() _ uh TSW() _ maar VG(neven) _ die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) _ die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) _ paddenstoelen WW(pv,tgw,mv) _ die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) _ hebben WW(pv,tgw,mv) _ ook BW() _ buiten VZ(fin) _ gestaan WW(vd,vrij,zonder) _ . LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ heb WW(pv,tgw,ev) _ dus BW() _ kinderen N(soort,mv,basis) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ heb WW(pv,tgw,ev) _ dus BW() _ kinderen N(soort,mv,basis) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) _ alleen BW() _ maar BW() _ supermarkteten*n N(soort,mv,basis) _ willen WW(pv,tgw,mv) willen . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed . LET() . die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die zou WW(pv,verl,ev) zullen ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik of VG(neven) of komen WW(pv,tgw,mv) komen alleen BW() alleen uit VZ(init) uit kassen N(soort,mv,basis) kas of VG(neven) of ja TSW() ja . LET() . precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies . LET() . precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies . LET() . dus BW() dus 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het is WW(pv,tgw,ev) zijn gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon 'n LID(onbep,stan,agr) gewoon beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje 'n LID(onbep,stan,agr) beetje idee N(soort,ev,basis,onz,stan) idee . LET() . ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik weet WW(pv,tgw,ev) weten nog BW() nog wel BW() wel vroeger ADJ(vrij,basis,zonder) vroeger gingen WW(pv,verl,mv) gaan we VNW(pers,pron,nomin,red,1,mv) we altijd BW() altijd naar VZ(init) naar 't LID(bep,stan,evon) het bos N(soort,ev,basis,onz,stan) bos op VZ(init) op zondag N(eigen,ev,basis,zijd,stan) zondag . LET() . met VZ(init) met de LID(bep,stan,rest) de familie N(soort,ev,basis,zijd,stan) familie . LET() . toen VG(onder) toen ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel klein ADJ(vrij,basis,zonder) klein was WW(pv,verl,ev) zijn . LET() . ja TSW() ja want VG(neven) want jij VNW(pers,pron,nomin,vol,2v,ev) jij woont WW(pv,tgw,met-t) wonen in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de in VZ(init) in een LID(onbep,stan,agr) een hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) mooi buurt N(soort,ev,basis,zijd,stan) buurt . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik woon WW(pv,tgw,ev) wonen in VZ(init) in een LID(onbep,stan,agr) een hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) mooi buurt N(soort,ev,basis,zijd,stan) buurt xxx SPEC(onverst) xxx bij VZ(init) bij Lage SPEC(deeleigen) Lage Vuursche SPEC(deeleigen) Vuursche in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de buurt N(soort,ev,basis,zijd,stan) buurt en VG(neven) en zo BW() zo en VG(neven) en Loosdrechtse ADJ(prenom,basis,met-e,stan) en plassen N(soort,mv,basis) plas en VG(neven) en uh TSW() uh . LET() . ja TSW() ja . LET() . dus BW() dus vandaar BW() vandaar weet WW(pv,tgw,ev) weten ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik de LID(bep,stan,rest) de grote ADJ(prenom,basis,met-e,stan) groot zwam N(soort,ev,basis,zijd,stan) zwam nog BW() nog wel BW() wel . LET() . xxx SPEC(onverst) xxx 'k VNW(pers,pron,nomin,red,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben 'r VNW(pers,pron,obl,red,3v,getal,fem) haar waarschijnlijk ADJ(vrij,basis,zonder) waarschijnlijk nog BW() nog wel BW() wel wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) wat meer VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,comp) veel geweten WW(vd,vrij,zonder) weten maar VG(neven) maar dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn te BW() te lang ADJ(vrij,basis,zonder) lang geleden BW() geleden om VZ(init) om ... LET() ... hanenkam N(soort,ev,basis,zijd,stan) hanenkam . LET() . 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het zegt WW(pv,tgw,met-t) zeggen me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) me wel BW() wel iets VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) iets . LET() . maar VG(neven) maar ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik zou WW(pv,verl,ev) zullen 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het niet BW() niet meer VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,comp) veel herkennen WW(inf,vrij,zonder) herkennen . LET() . mijn VNW(bez,det,stan,vol,1,ev,prenom,zonder,agr) mijn moeder N(soort,ev,basis,zijd,stan) moeder wees WW(pv,verl,ev) wijzen ze VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,fem) ze altijd BW() altijd aan VZ(fin) aan vroeger ADJ(vrij,comp,zonder) vroeg . LET() . en VG(neven) en uh TSW() uh dan BW() dan uh TSW() uh ... LET() ... 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het heeft WW(pv,tgw,met-t) hebben niet BW() niet geholpen WW(vd,vrij,zonder) helpen . LET() . 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het heeft WW(pv,tgw,met-t) hebben niet BW() niet geholpen WW(vd,vrij,zonder) helpen nee TSW() nee . LET() . het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het is WW(pv,tgw,ev) zijn uh TSW() uh uh TSW() uh uh TSW() uh heeft WW(pv,tgw,met-t) hebben niet BW() niet beklijfd WW(vd,vrij,zonder) beklijven . LET() . nee TSW() nee . LET() . jammer ADJ(vrij,basis,zonder) jammer . LET() . jammer ADJ(vrij,basis,zonder) jammer . LET() . maar VG(neven) maar uh TSW() uh ... LET() ... kook WW(pv,tgw,ev) koken je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je vaak ADJ(vrij,basis,zonder) vaak uh TSW() uh ... LET() ... zelf BW() zelf dingen N(soort,mv,basis) ding dingen N(soort,mv,basis) ding die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je zelf BW() zelf verzameld WW(vd,vrij,zonder) verzamelen ook BW() ook ? LET() ? inderdaad BW() inderdaad die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) die paddenstoelen N(soort,mv,basis) die en VG(neven) en zo BW() zo . LET() . als VG(onder) als ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het kan WW(pv,tgw,ev) kunnen ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? ja TSW() ja hoor TSW() hoor d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er staat WW(pv,tgw,met-t) staan nou BW() nou weer BW() weer 'n LID(onbep,stan,agr) weer maaltje N(soort,ev,dim,onz,stan) maal zevenblad N(soort,ev,basis,onz,stan) zevenblad klaar ADJ(vrij,basis,zonder) klaar . LET() . zeverblad*u N(soort,ev,basis,zijd,stan) . ? LET() ? zevenblad N(soort,ev,basis,onz,stan) zevenblad . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké en VG(neven) en dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn en VG(neven) en wa*a SPEC(afgebr) _ ? LET() _ da's N(soort,mv,basis) _ een LID(onbep,stan,agr) _ heel ADJ(vrij,basis,zonder) _ vervelend WW(od,prenom,zonder) _ onkruid N(soort,ev,basis,onz,stan) _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ waar VNW(vb,adv-pron,obl,vol,3o,getal) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ ongelofelijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ tegen VZ(fin) _ moet WW(pv,tgw,ev) _ knokken WW(inf,vrij,zonder) _ want VG(neven) _ ieder VNW(onbep,det,stan,prenom,zonder,evon) _ w*a SPEC(afgebr) _ ieder VNW(onbep,det,stan,prenom,zonder,evon) _ stukje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ worteltak*n WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() . wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het hoeft WW(pv,tgw,met-t) hoeven maar BW() maar zo BW() zo klein ADJ(vrij,basis,zonder) klein te VZ(init) te zijn WW(inf,vrij,zonder) zijn of VG(neven) of het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het loopt WW(pv,tgw,met-t) lopen weer BW() weer uit VZ(fin) uit dus BW() dus als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je ... LET() ... ja TSW() ja . LET() . als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je 'n LID(onbep,stan,agr) je het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het weg BW() weg wilt WW(pv,tgw,met-t) willen hebben WW(inf,vrij,zonder) hebben dan BW() dan moet WW(pv,tgw,ev) moeten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je ... LET() ... diep ADJ(vrij,basis,zonder) diep in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de aarde N(soort,ev,basis,zijd,stan) aarde wroeten WW(inf,vrij,zonder) wroeten en VG(neven) en echt ADJ(vrij,basis,zonder) echt alles VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) alles ... LET() ... keurig ADJ(vrij,basis,zonder) keurig d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er uit VZ(fin) uit pikken WW(inf,vrij,zonder) pikken . LET() . want VG(neven) want anders BW() anders heb WW(pv,tgw,ev) hebben je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het volgend WW(od,prenom,zonder) volgen jaar N(soort,ev,basis,onz,stan) jaar weer BW() weer de LID(bep,stan,rest) de hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) tuin vol ADJ(vrij,basis,zonder) vol . LET() . ja TSW() ja . LET() . maar VG(neven) maar je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je kunt WW(pv,tgw,met-t) kunnen 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het eten WW(inf,vrij,zonder) eten . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? en VG(neven) en uh TSW() uh de LID(bep,stan,rest) de smaak N(soort,ev,basis,zijd,stan) smaak kun WW(pv,tgw,ev) kunnen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat vergelijken WW(inf,vrij,zonder) vergelijken met VZ(init) met iets VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) iets ? LET() ? roerbakken WW(inf,vrij,zonder) roerbakken . LET() . nee TSW() nee . LET() . of VG(neven) of heeft WW(pv,tgw,met-t) hebben 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het een LID(onbep,stan,agr) een unieke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) uniek smaak N(soort,ev,basis,zijd,stan) smaak een LID(onbep,stan,agr) een ? LET() ? het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het smaakt WW(pv,tgw,met-t) smaken ze*a SPEC(afgebr) _ smaakt WW(pv,tgw,met-t) _ naar VZ(init) _ zevenblad N(soort,ev,basis,onz,stan) _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ dus BW() _ niet BW() _ vergelijkbaar ADJ(vrij,basis,zonder) _ met VZ(init) _ uh TSW() _ rucola*n N(soort,mv,basis) _ of VG(neven) of zo BW() zo of VG(neven) of ? LET() ? uhm TSW() uhm ... LET() ... rucola*n N(soort,mv,basis) ... lijkt WW(pv,tgw,met-t) lijken erg ADJ(vrij,basis,zonder) erg op VZ(init) op paardenbloem N(soort,ev,basis,onz,stan) op . LET() . paarden N(soort,mv,basis) paard ... LET() ... paardenstekken*n N(soort,mv,basis) ... . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? ja TSW() ja . LET() . oh TSW() oh . LET() . nou BW() nou dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn erg ADJ(vrij,basis,zonder) erg lekker ADJ(vrij,basis,zonder) lekker dus BW() dus uh TSW() uh . LET() . is WW(pv,tgw,ev) zijn erg ADJ(vrij,basis,zonder) erg lekker ADJ(vrij,basis,zonder) lekker . LET() . en VG(neven) en uh TSW() uh ... LET() ... ouwe ADJ(prenom,basis,met-e,stan) oud naam N(soort,ev,basis,zijd,stan) naam voor VZ(init) voor paarde*a SPEC(afgebr) _ voor VZ(init) _ paardenbloem N(soort,ev,basis,onz,stan) _ is WW(pv,tgw,ev) _ molsla N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ molsla TSW() _ ? LET() _ oké N(soort,mv,basis) _ . LET() _ vast ADJ(vrij,basis,zonder) _ van VZ(fin) _ gehoord WW(vd,vrij,zonder) _ . LET() _ ja TSW() _ die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) _ naam N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ zegt WW(pv,tgw,met-t) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ wel BW() _ wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) _ maar VG(neven) _ . LET() _ wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) _ n*a SPEC(afgebr) _ . LET() _ waarom BW() _ 't LID(bep,stan,evon) _ molsla N(soort,ev,basis,onz,stan) _ werd WW(pv,verl,ev) _ genoemd WW(vd,vrij,zonder) _ was WW(pv,verl,ev) _ dat VG(onder) _ ze VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,fem) _ ... LET() _ onder VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ molshopen N(soort,mv,basis) _ ... LET() _ keken WW(pv,verl,mv) _ of VG(onder) _ daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) _ een LID(onbep,stan,agr) _ paardenbloemstek*n N(soort,ev,basis,onz,stan) _ was WW(pv,verl,ev) zijn . LET() . dan BW() dan was WW(pv,verl,ev) zijn die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die wit ADJ(vrij,basis,zonder) wit en VG(neven) en dan BW() dan was WW(pv,verl,ev) zijn ie VNW(pers,pron,nomin,red,3,ev,masc) ie minder VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,comp) weinig bitter ADJ(vrij,basis,zonder) bitter . LET() . ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja ja TSW() ja . LET() . net BW() net als VG(onder) als onze VNW(bez,det,stan,vol,1,mv,prenom,met-e,rest) ons lof N(soort,ev,basis,zijd,stan) lof . LET() . ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn ook BW() ook ... LET() ... als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je l*a SPEC(afgebr) _ als VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ weet WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ gebeurt WW(pv,tgw,met-t) _ als VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ lof N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ laat WW(pv,tgw,ev) _ uitgroeien WW(inf,vrij,zonder) _ ? LET() _ nee TSW() _ . LET() _ wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ voor VZ(init) _ plant WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ dan BW() _ krijgt WW(pv,tgw,met-t) _ ? LET() _ nee TSW() _ . LET() _ cigorei*n N(soort,mv,basis) _ en VG(neven) en wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat is WW(pv,tgw,ev) zijn cigorei*n WW(inf,vrij,zonder) is ? LET() ? ja TSW() ja ? LET() ? cigorei*n N(soort,mv,basis) ? . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat heb WW(pv,tgw,ev) hebben ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik ook BW() ook wel BW() wel eens BW() eens gehoord WW(vd,vrij,zonder) horen . LET() . ja TSW() ja dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) wat ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik zou WW(pv,verl,ev) zullen niet BW() niet meer VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,comp) veel zeggen WW(inf,vrij,zonder) zeggen ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik zou WW(pv,verl,ev) zullen 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het niet BW() niet meer VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,comp) veel weten WW(inf,vrij,zonder) weten . LET() . heb WW(pv,tgw,ev) hebben je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je geen VNW(onbep,det,stan,prenom,zonder,agr) geen ouders N(soort,mv,basis) ouder gehad WW(vd,vrij,zonder) hebben die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die klaagden WW(pv,verl,mv) klagen over VZ(init) over de LID(bep,stan,rest) de koffie N(soort,ev,basis,zijd,stan) koffie in VZ(init) in de LID(bep,stan,rest) de oorlog N(soort,ev,basis,zijd,stan) oorlog ? LET() ? dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat was WW(pv,verl,ev) zijn cigorei*n WW(vd,vrij,zonder) was . LET() . ja TSW() ja ? LET() ? cigorei*n N(soort,mv,basis) ? gekookt WW(vd,vrij,zonder) koken en VG(neven) en dan BW() dan uh TSW() uh ? LET() ? de LID(bep,stan,rest) de wortels N(soort,mv,basis) wortel van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de cigorei*n N(soort,mv,basis) de . LET() . daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar werd WW(pv,verl,ev) worden ... LET() ... ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja . LET() . kof*a SPEC(afgebr) _ nepkoffie*n N(soort,mv,basis) _ van VZ(fin) van gemaakt WW(vd,vrij,zonder) maken . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het inderdaad BW() inderdaad . LET() . want VG(neven) want de LID(bep,stan,rest) de naam N(soort,ev,basis,zijd,stan) naam stond WW(pv,verl,ev) staan me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) me wel BW() wel bij VZ(fin) bij van VZ(init) van cigorei*n N(soort,mv,basis) van . LET() . en VG(neven) en nu BW() nu doen WW(pv,tgw,mv) doen ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat nog BW() nog en VG(neven) en dan BW() dan . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik dacht WW(pv,verl,ev) denken misschien BW() misschien is WW(pv,tgw,ev) zijn dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat een LID(onbep,stan,agr) een groente N(soort,ev,basis,zijd,stan) groente of VG(neven) of uh TSW() uh maar VG(neven) maar dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat uh TSW() uh . LET() . nou BW() nou cigorei*n N(soort,mv,basis) nou is WW(pv,tgw,ev) zijn de LID(bep,stan,rest) de dus BW() dus de LID(bep,stan,rest) de wortel N(soort,ev,basis,zijd,stan) wortel van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de witlof N(soort,ev,basis,onz,stan) witlof . LET() . hum TSW() hum hum TSW() hum . LET() . als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je dus BW() dus wit*a SPEC(afgebr) _ witlof N(soort,ev,basis,onz,stan) _ wil WW(pv,tgw,ev) _ hebben WW(inf,vrij,zonder) _ dan BW() _ moet WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ dus BW() _ de LID(bep,stan,rest) _ wortel N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ ... LET() _ in VZ(init) _ ... LET() _ een LID(onbep,stan,agr) _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ aarde N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ doen WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ en VG(neven) _ als VG(onder) _ ie VNW(pers,pron,nomin,red,3,ev,masc) _ gaat WW(pv,tgw,met-t) _ uitlopen WW(inf,vrij,zonder) _ moet WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ zorgen WW(inf,vrij,zonder) _ dat VG(onder) _ dus BW() _ d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ steeds BW() _ aarde N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ op VZ(fin) _ blijft WW(pv,tgw,met-t) _ . LET() _ en VG(neven) _ dan BW() _ krijg WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ dus BW() _ de LID(bep,stan,rest) _ ... LET() _ de LID(bep,stan,rest) _ stronkjes*n ADJ(prenom,basis,zonder) _ lof N(soort,ev,basis,zijd,stan) lof . LET() . die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die komen WW(pv,tgw,mv) komen van VZ(init) van de LID(bep,stan,rest) de cigorei*n N(soort,mv,basis) de . LET() . ja TSW() ja . LET() . laat WW(pv,tgw,ev) laten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je de LID(bep,stan,rest) de heb WW(pv,tgw,ev) hebben je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) die wortels N(soort,mv,basis) wortel en VG(neven) en laat WW(pv,tgw,ev) laten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je 'm VNW(pers,pron,obl,red,3,ev,masc) hem gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon groeien WW(inf,vrij,zonder) groeien dan BW() dan krijg WW(pv,tgw,ev) krijgen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je de LID(bep,stan,rest) de cigorei*n N(soort,mv,basis) de . LET() . plant WW(pv,tgw,ev) planten sorry TSW() sorry . LET() . tik N(soort,ev,basis,zijd,stan) tik tegen VZ(init) tegen m'n VNW(bez,det,stan,red,1,ev,prenom,zonder,agr) mijn microfoon N(soort,ev,basis,zijd,stan) microfoon . LET() . krijg WW(pv,tgw,ev) krijgen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je de LID(bep,stan,rest) de cigoreiplant*n N(soort,mv,basis) de . LET() . en VG(neven) en die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die zie WW(pv,tgw,ev) zien je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je ... LET() ... dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn een LID(onbep,stan,agr) een vrij BW() vrij hoge ADJ(prenom,basis,met-e,stan) hoog plant N(soort,ev,basis,zijd,stan) plant . LET() . hij VNW(pers,pron,nomin,vol,3,ev,masc) hij kan WW(pv,tgw,ev) kunnen denk WW(pv,tgw,ev) denken ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik wel BW() wel anderhalve ADJ(prenom,basis,met-e,stan) anderhalf meter N(soort,ev,basis,zijd,stan) meter hoog ADJ(vrij,basis,zonder) hoog worden WW(inf,vrij,zonder) worden . LET() . met VZ(init) met hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) mooi blauwe ADJ(prenom,basis,met-e,stan) blauw bloemetjes N(soort,mv,dim) bloem . LET() . oké N(soort,mv,basis) oké . LET() . is WW(pv,tgw,ev) zijn toch BW() toch een LID(onbep,stan,agr) een genoegen N(soort,ev,basis,onz,stan) genoegen als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat allemaal BW() allemaal weet WW(pv,tgw,ev) weten ? LET() ? ja TSW() ja nou BW() nou maar BW() maar weten WW(inf,vrij,zonder) weten uh TSW() uh ... LET() ... is WW(pv,tgw,ev) zijn fijn ADJ(vrij,basis,zonder) fijn om VZ(init) om te VZ(init) te weten WW(inf,vrij,zonder) weten . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik ben WW(pv,tgw,ev) zijn ook BW() ook erg ADJ(vrij,basis,zonder) erg ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik wil WW(pv,tgw,ev) willen ook BW() ook graag BW() graag van VZ(init) van alles VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) alles weten WW(inf,vrij,zonder) weten . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik bedoel WW(pv,tgw,ev) bedoelen ben WW(pv,tgw,ev) zijn op VZ(init) op heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel veel VNW(onbep,grad,stan,prenom,zonder,agr,basis) veel markten N(soort,mv,basis) markt thuis BW() thuis . LET() . ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja . LET() . ga WW(pv,tgw,ev) gaan je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je nou BW() nou weer BW() weer o*a SPEC(afgebr) _ uh TSW() _ letten WW(inf,vrij,zonder) _ op VZ(init) _ paddenstoelen N(soort,mv,basis) _ ? LET() _ nou BW() _ ga WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ wel BW() _ letten WW(inf,vrij,zonder) _ op VZ(init) _ paddenstoelen N(soort,mv,basis) _ denk WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ inderdaad BW() _ ja TSW() _ . LET() _ en VG(neven) _ op VZ(init) _ uh TSW() _ ... LET() _ nou BW() _ d*a SPEC(afgebr) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ lijkt WW(pv,tgw,met-t) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ om VZ(init) _ een LID(onbep,stan,agr) _ grote ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ te VZ(init) _ hebben WW(inf,vrij,zonder) _ waar VNW(vb,adv-pron,obl,vol,3o,getal) _ allemaal BW() _ dat VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,evon) _ soort N(soort,ev,basis,onz,stan) _ dingen N(soort,mv,basis) _ groeien WW(inf,vrij,zonder) _ en VG(neven) _ zo BW() _ . LET() _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ eigen ADJ(prenom,basis,zonder) _ kruiden N(soort,mv,basis) _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ al BW() _ da*a SPEC(afgebr) _ ja TSW() _ al VNW(onbep,det,stan,vrij,zonder) _ die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) _ kruiden N(soort,mv,basis) _ oregano N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ zelf BW() _ te VZ(init) _ laten WW(inf,vrij,zonder) _ groeien WW(inf,vrij,zonder) _ basilicum N(soort,ev,basis,onz,stan) _ . LET() _ xxx SPEC(onverst) _ tuinman N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ bij VZ(fin) _ ? LET() _ en VG(neven) _ uh TSW() _ ... LET() _ ggg SPEC(onverst) _ ja TSW() _ . LET() _ tuinman N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ bij VZ(fin) _ . LET() _ ja TSW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ is WW(pv,tgw,ev) _ dan BW() _ wel BW() _ weer BW() _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ zelf BW() _ verbouwen WW(inf,vrij,zonder) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ vind WW(pv,tgw,ev) _ 'k VNW(pers,pron,nomin,red,1,ev) _ dan BW() _ misschien BW() _ wel BW() _ weer BW() _ uh TSW() _ ... LET() _ uh TSW() _ dan BW() _ uh TSW() _ nou BW() _ misschien BW() _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ leuke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ vrouw N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ ook BW() _ interessant ADJ(vrij,basis,zonder) _ vindt WW(pv,tgw,met-t) _ dan BW() _ uh TSW() _ kook WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ wel BW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) _ m*a SPEC(afgebr) _ hou WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ je VNW(bez,det,stan,red,2v,ev,prenom,zonder,agr) _ vrouw N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ vrij ADJ(vrij,basis,zonder) _ voor VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ te VZ(init) _ ... LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ vind WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ koken WW(inf,nom,zonder,zonder-n) _ leuk ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ dus BW() _ misschien BW() _ een LID(onbep,stan,agr) _ goeie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ taakverdeling N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ tuinieren WW(inf,nom,zonder,zonder-n) _ . LET() _ nou BW() _ ja TSW() _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ dan BW() _ ... LET() _ dan BW() _ zeg WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ ... LET() _ Sarah N(eigen,ev,basis,zijd,stan) Sarah wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ zullen WW(pv,tgw,mv) _ we VNW(pers,pron,nomin,red,1,mv) _ vanavond BW() _ eten WW(inf,vrij,zonder) _ ? LET() _ dan BW() _ zegt WW(pv,tgw,met-t) _ ze VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,fem) _ ... LET() _ ach TSW() _ Pim N(eigen,ev,basis,zijd,stan) Pim zal WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ eens BW() _ even BW() _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ kijken WW(inf,vrij,zonder) _ ? LET() _ ja TSW() _ . LET() _ nou BW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ is WW(pv,tgw,ev) _ toch BW() _ hartstikke BW() _ leuk ADJ(vrij,basis,zonder) _ ? LET() _ oh TSW() _ joh TSW() _ . LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ heb WW(pv,tgw,ev) _ wel BW() _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ idyllisch ADJ(prenom,basis,zonder) _ beeld N(soort,ev,basis,onz,stan) _ van VZ(init) _ een LID(onbep,stan,agr) _ mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ boerderij N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ zie WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ helemaal BW() _ voor VZ(init) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ . LET() _ en VG(neven) _ dan BW() _ uh TSW() _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ de LID(bep,stan,rest) _ kelder N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ van VZ(init) _ een LID(onbep,stan,agr) _ boerderij N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ een LID(onbep,stan,agr) _ mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ studio N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ voor VZ(init) _ m'n VNW(bez,det,stan,red,1,ev,prenom,zonder,agr) _ muziekinstrumenten N(soort,mv,basis) _ en VG(neven) _ dan BW() _ uh TSW() _ en VG(neven) _ dan BW() _ ja TSW() _ dan BW() _ kook WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ wel BW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ vind WW(pv,tgw,ev) _ dan BW() _ ook BW() _ leuk ADJ(vrij,basis,zonder) _ tenminste BW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ oh TSW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ ook BW() _ ? LET() _ ja TSW() _ . LET() _ maar VG(neven) _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ moet WW(pv,tgw,ev) _ wel BW() _ een LID(onbep,stan,agr) _ uh TSW() _ ... LET() _ ja TSW() _ . LET() _ en VG(neven) _ wie VNW(vb,pron,stan,vol,3p,getal) _ wast WW(pv,tgw,met-t) _ af VZ(fin) _ ? LET() _ iemand VNW(onbep,pron,stan,vol,3p,ev) _ zijn WW(inf,vrij,zonder) _ die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) _ het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ leuk ADJ(vrij,basis,zonder) _ vindt WW(pv,tgw,met-t) _ . LET() _ wie VNW(vb,pron,stan,vol,3p,getal) _ wast WW(pv,tgw,met-t) _ af VZ(fin) _ ? LET() _ oh TSW() _ dan BW() _ was WW(pv,verl,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ ook BW() _ wel BW() _ af VZ(fin) _ da's N(soort,mv,basis) _ prima ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ xxx SPEC(onverst) _ of VG(neven) _ samen BW() _ . LET() _ of VG(neven) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ afwasmachine N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ kan WW(pv,tgw,ev) _ ook BW() _ natuurlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ of VG(neven) _ samen BW() _ precies ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ nee TSW() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ ben WW(pv,tgw,ev) _ niet BW() _ zo BW() _ van VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ ... LET() _ nee TSW() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ zie WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ zie WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ wel BW() _ voor VZ(init) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ hoor TSW() _ . LET() _ mooi ADJ(prenom,basis,zonder) _ tuintje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ met VZ(init) _ uh TSW() _ ... LET() _ buxushaagjes*n N(soort,mv,basis) _ natuurlijk ADJ(vrij,basis,zonder) natuurlijk om VZ(init) om de LID(bep,stan,rest) de verschillende ADJ(prenom,basis,met-e,stan) verschillend kruiden N(soort,mv,basis) kruid te VZ(init) te st*a SPEC(afgebr) _ te VZ(init) _ scheiden WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ ja TSW() _ ja TSW() _ ja TSW() _ ja TSW() _ . LET() _ en VG(neven) _ dan BW() _ ga WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ ga WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ de LID(bep,stan,rest) _ tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ in VZ(fin) _ en VG(neven) _ dan BW() _ ... LET() _ nee TSW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ lijkt WW(pv,tgw,met-t) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ verse ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ kruiden N(soort,mv,basis) _ is WW(pv,tgw,ev) _ zo BW() _ lekker ADJ(vrij,basis,zonder) _ inderdaad BW() _ . LET() _ maar VG(neven) _ ja TSW() _ zou WW(pv,verl,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ zou WW(pv,verl,ev) _ nu BW() _ toch BW() _ ook BW() _ al BW() _ kunnen WW(inf,vrij,zonder) _ ? LET() _ leuk ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ nou BW() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ probeer WW(pv,tgw,ev) _ het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ thuis BW() _ wel BW() _ eens BW() _ die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) _ kruiden N(soort,mv,basis) _ . LET() _ maar VG(neven) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ lukt WW(pv,tgw,met-t) _ niet BW() _ . LET() _ basilicum N(soort,ev,basis,onz,stan) _ heb WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ al BW() _ al BW() _ ... LET() _ tig TW(hoofd,prenom,stan) _ keer N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ geprobeerd WW(vd,vrij,zonder) _ uh TSW() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ zet WW(pv,tgw,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ in VZ(init) _ potgrond N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ hoe BW() _ doe WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ dan BW() _ ? LET() _ aparte ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ potgrond N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ en VG(neven) _ dan BW() _ op VZ(init) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ schoteltje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ . LET() _ en VG(neven) _ dan BW() _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ water N(soort,ev,basis,onz,stan) _ d'r VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ bij VZ(fin) _ gieten WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ want VG(neven) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ schijnt WW(pv,tgw,met-t) _ beste ADJ(nom,sup,met-e,zonder-n,stan) _ te VZ(init) _ zijn WW(inf,vrij,zonder) _ dat VG(onder) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ omhoog BW() _ trekt WW(pv,tgw,met-t) _ dat VG(onder) _ ie VNW(pers,pron,nomin,red,3,ev,masc) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ zelf BW() _ opzuigt WW(pv,tgw,met-t) _ . LET() _ ja TSW() _ maar VG(neven) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ koopt WW(pv,tgw,met-t) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ koopt WW(pv,tgw,met-t) _ 't LID(bep,stan,evon) _ plantje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ ? LET() _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ supermarkt N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ ? LET() _ nou BW() _ ja TSW() _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ dus BW() _ één N(soort,mv,basis) _ keer N(soort,ev,basis,genus,stan) _ is WW(pv,tgw,ev) _ het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ wel BW() _ redelijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ gelukt WW(vd,vrij,zonder) _ . LET() _ en VG(neven) _ toen BW() _ was WW(pv,verl,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ plant N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ was WW(pv,verl,ev) _ een LID(onbep,stan,agr) _ gekochte WW(vd,prenom,met-e) _ plant N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ maar VG(neven) _ die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) _ had WW(pv,verl,ev) _ iemand VNW(onbep,pron,stan,vol,3p,ev) _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ gezet WW(vd,vrij,zonder) _ ... LET() _ en VG(neven) _ die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) _ is WW(pv,tgw,ev) _ toen BW() _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ gaan WW(inf,vrij,zonder) _ groeien WW(inf,vrij,zonder) _ en VG(neven) _ die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) _ heb WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ uiteindelijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ weer BW() _ binnen VZ(fin) _ gezet WW(vd,vrij,zonder) _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ en VG(neven) _ waarschijnlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ is WW(pv,tgw,ev) _ dat VG(onder) _ de LID(bep,stan,rest) _ truc N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ is WW(pv,tgw,ev) _ de LID(bep,stan,rest) _ truc N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ dat VG(onder) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ uh TSW() _ ... LET() _ want VG(neven) _ als VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ zo BW() _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ supermarkt N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ koopt WW(pv,tgw,met-t) _ dan BW() _ zijn WW(pv,tgw,mv) _ ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) _ zo BW() _ doorgefokt*n WW(inf,vrij,zonder) _ ... LET() ... ja TSW() ja . LET() . onder VZ(init) onder ideale ADJ(prenom,basis,met-e,stan) ideaal omstandigheden N(soort,mv,basis) omstandigheid dus BW() dus . LET() . ja TSW() ja ja TSW() ja . LET() . of VG(neven) of zelf BW() zelf zaaien WW(inf,vrij,zonder) zaaien of VG(neven) of uhm TSW() uhm ... LET() ... of VG(neven) of uh TSW() uh inderdaad BW() inderdaad zien WW(inf,vrij,zonder) zien dat VG(onder) dat ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze overleven WW(inf,vrij,zonder) overleven en VG(neven) en dan BW() dan uh TSW() uh ... LET() ... na VZ(init) na een LID(onbep,stan,agr) een jaartje N(soort,ev,dim,onz,stan) jaar 'n LID(onbep,stan,agr) jaar beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon l*a SPEC(afgebr) _ ontberingen N(soort,mv,basis) _ van VZ(init) _ alle VNW(onbep,det,stan,prenom,met-e,agr) _ planten N(soort,mv,basis) _ dan BW() _ binnen VZ(fin) _ halen WW(inf,vrij,zonder) _ dan BW() _ heb WW(pv,tgw,ev) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ ... LET() _ waarschijnlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ meer VNW(onbep,grad,stan,prenom,zonder,agr,comp) _ kans N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ dat VG(onder) _ ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) _ blijven WW(pv,tgw,mv) _ leven WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ ja TSW() _ ja TSW() _ . LET() _ nou BW() _ moeten WW(pv,tgw,mv) _ we VNW(pers,pron,nomin,red,1,mv) _ misschien BW() _ maar BW() _ een LID(onbep,stan,agr) _ keer N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ zetten WW(inf,vrij,zonder) _ inderdaad BW() _ . LET() _ maar VG(neven) _ uh TSW() _ ... LET() _ ja TSW() _ . LET() _ aan VZ(init) _ andere ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ kruiden N(soort,mv,basis) _ ? LET() _ wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ wat VNW(vb,pron,stan,vol,3o,ev) _ doet WW(pv,tgw,met-t) _ het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) _ nou BW() _ een LID(onbep,stan,agr) _ beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ goed ADJ(vrij,basis,zonder) _ ? LET() _ van VZ(init) _ van VZ(init) _ van VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ gewone ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ keukenkruiden*n N(soort,mv,basis) _ ? LET() ? nou BW() nou ... LET() ... peterselie N(soort,ev,basis,zijd,stan) peterselie en VG(neven) en selderie N(soort,ev,basis,zijd,stan) selderie doet WW(pv,tgw,met-t) doen 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het toch BW() toch altijd BW() altijd wel BW() wel . LET() . ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja . LET() . bieslook N(soort,ev,basis,onz,stan) bieslook . LET() . bieslook N(soort,ev,basis,onz,stan) bieslook doet WW(pv,tgw,met-t) doen 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat heb WW(pv,tgw,ev) hebben ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik ook BW() ook wel BW() wel inderdaad BW() inderdaad ja TSW() ja en VG(neven) en uh TSW() uh ... LET() ... en VG(neven) en rozemarijn N(soort,ev,basis,zijd,stan) rozemarijn doet WW(pv,tgw,met-t) doen dat VG(onder) dat 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed ? LET() ? vind WW(pv,tgw,ev) vinden 'k VNW(pers,pron,nomin,red,1,ev) ik ook BW() ook altijd BW() altijd erg ADJ(vrij,basis,zonder) erg lekker ADJ(vrij,basis,zonder) lekker . LET() . rozemarijn N(soort,ev,basis,zijd,stan) rozemarijn nee TSW() nee dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn 'n LID(onbep,stan,agr) is hele ADJ(prenom,basis,met-e,stan) heel sterke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) sterk plant N(soort,ev,basis,zijd,stan) plant dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn in VZ(init) in in VZ(init) in principe N(soort,ev,basis,onz,stan) principe een LID(onbep,stan,agr) een overblijver N(soort,ev,basis,zijd,stan) overblijver . LET() . dus BW() dus dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat kun WW(pv,tgw,ev) kunnen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je wel BW() wel binnen VZ(fin) binnen eigenlijk ADJ(vrij,basis,zonder) eigenlijk voor VZ(init) voor het LID(bep,stan,evon) het raam N(soort,ev,basis,onz,stan) raam uh TSW() uh neerzetten WW(inf,vrij,zonder) neerzetten ? LET() ? dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat kun WW(pv,tgw,ev) kunnen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je ook BW() ook uh TSW() uh ... LET() ... nou BW() nou misschien BW() misschien is WW(pv,tgw,ev) zijn ie VNW(pers,pron,nomin,red,3,ev,masc) ie buiten VZ(fin) buiten gelukkiger ADJ(vrij,comp,zonder) gelukkig hoor TSW() hoor . LET() . ja TSW() ja . LET() . maar VG(neven) maar ja TSW() ja moet WW(pv,tgw,ev) moeten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je een LID(onbep,stan,agr) een tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) tuin hebben WW(pv,tgw,mv) hebben hè WW(vd,vrij,zonder) hè . LET() . en VG(neven) en dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat kan WW(pv,tgw,ev) kunnen ie VNW(pers,pron,nomin,red,3,ev,masc) ie wel BW() wel hebben WW(inf,vrij,zonder) hebben . LET() . moet WW(pv,tgw,ev) moeten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je 'm VNW(pers,pron,obl,red,3,ev,masc) hem ... LET() ... dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat heb WW(pv,tgw,ev) hebben ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik nou BW() nou niet BW() niet ja TSW() ja die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je dan BW() dan buiten VZ(fin) buiten aan VZ(init) aan 't LID(bep,stan,evon) het raam N(soort,ev,basis,onz,stan) raam hangt WW(pv,tgw,met-t) hangen . LET() . ja TSW() ja . LET() . of VG(neven) of een LID(onbep,stan,agr) een uh TSW() uh nou BW() nou ja TSW() ja flinke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) flink flinke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) flink ... LET() ... bak N(soort,ev,basis,zijd,stan) bak . LET() . gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon zo'n VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,agr) zo'n vier*a SPEC(afgebr) _ lekkere ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ vierkante ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ ... LET() _ precies ADJ(vrij,basis,zonder) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ kan WW(pv,tgw,ev) _ ook BW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ zoals VG(onder) _ Jamie SPEC(deeleigen) Jamie Oliver SPEC(deeleigen) Oliver dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ ... LET() _ ja TSW() _ ja TSW() _ . LET() _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ hebt WW(pv,tgw,met-t) _ voorbeelden N(soort,mv,basis) _ genoeg BW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ oké N(soort,mv,basis) _ . LET() _ leuk ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ nou BW() _ en VG(neven) _ en VG(neven) _ uh TSW() _ ... LET() _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ hoorde WW(pv,verl,ev) _ jou VNW(pers,pron,obl,vol,2v,ev) _ dus BW() _ over VZ(init) _ een LID(onbep,stan,agr) _ uh TSW() _ ... LET() _ flinke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ boerderij N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ tuin N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ ? LET() _ een LID(onbep,stan,agr) _ uh TSW() _ muziekschuur*n WW(inf,vrij,zonder) _ ? LET() ? ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja ja TSW() ja precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies . LET() . mooie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) mooi muziekschuur*n N(soort,mv,basis) mooi . LET() . ja TSW() ja precies ADJ(vrij,basis,zonder) precies . LET() . en VG(neven) en het VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het lijkt WW(pv,tgw,met-t) lijken me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) me heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) heerlijk dan BW() dan echt ADJ(vrij,basis,zonder) echt zelf BW() zelf mu*a SPEC(afgebr) _ muziek N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ te VZ(init) _ kunnen WW(inf,vrij,zonder) _ maken WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ en VG(neven) _ geen VNW(onbep,det,stan,prenom,zonder,agr) _ last N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ van VZ(init) _ uh TSW() _ lawaai N(soort,ev,basis,onz,stan) _ voor VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ buren N(soort,mv,basis) _ en VG(neven) _ zo BW() _ . LET() _ ja TSW() _ . LET() _ en VG(neven) _ dat VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) _ echt ADJ(vrij,basis,zonder) _ midden BW() _ in VZ(init) _ de LID(bep,stan,rest) _ nacht N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ als VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ 'n LID(onbep,stan,agr) _ geweldig ADJ(prenom,basis,zonder) _ idee N(soort,ev,basis,onz,stan) _ hebt WW(pv,tgw,met-t) _ ... LET() _ gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) _ naar VZ(init) _ je VNW(bez,det,stan,red,2v,ev,prenom,zonder,agr) _ gitaar N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ kan WW(pv,tgw,ev) _ rennen WW(inf,vrij,zonder) _ of VG(onder) _ je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) _ drumstel N(soort,ev,basis,onz,stan) _ of VG(neven) _ iets VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) _ dergelijks ADJ(postnom,basis,met-s) _ . LET() _ en VG(neven) _ daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) _ uh TSW() _ ... LET() _ meteen BW() _ kan WW(pv,tgw,ev) _ spelen WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ lijkt WW(pv,tgw,met-t) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ hum TSW() _ . LET() _ en VG(neven) _ dan BW() _ uh TSW() _ opnameapparatuur N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ en VG(neven) _ dan BW() _ gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) _ met VZ(init) _ je VNW(bez,det,stan,red,2v,ev,prenom,zonder,agr) _ vrienden N(soort,mv,basis) _ ... LET() _ ja TSW() _ muziek N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ maken WW(inf,vrij,zonder) _ en VG(neven) _ opnemen WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ lijkt WW(pv,tgw,met-t) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ . LET() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ zie WW(pv,tgw,ev) _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ zie WW(pv,tgw,ev) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ wel BW() _ voor VZ(init) _ me VNW(pr,pron,obl,red,1,ev) _ . LET() _ en VG(neven) _ ... LET() _ ook BW() _ nog BW() _ geld N(soort,ev,basis,onz,stan) _ aan VZ(fin) _ verdienen WW(inf,vrij,zonder) _ ? LET() _ ja TSW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ ja TSW() _ . LET() _ ja TSW() _ ja TSW() _ nou BW() _ dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) _ zou WW(pv,verl,ev) _ 'k VNW(pers,pron,nomin,red,1,ev) _ moet*x WW(pv,tgw,ev) moeten 'k*x VNW(pers,pron,nomin,red,1,ev) ik zeggen*x WW(pv,tgw,mv) zeggen de LID(bep,stan,rest) de de LID(bep,stan,rest) de de LID(bep,stan,rest) de uh TSW() uh belangrijkste ADJ(nom,sup,met-e,zonder-n,stan) belangrijk vind WW(pv,tgw,ev) vinden ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon uh TSW() uh . LET() . dat VG(onder) dat ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik geniet WW(pv,tgw,ev) genieten van VZ(init) van het LID(bep,stan,evon) het muziek N(soort,ev,basis,zijd,stan) muziek maken WW(inf,vrij,zonder) maken ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik bedoel WW(pv,tgw,ev) bedoelen ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben toch BW() toch ook BW() ook overwogen WW(vd,vrij,zonder) overwegen om VZ(init) om conservatorium N(soort,ev,basis,onz,stan) conservatorium te VZ(init) te gaan WW(inf,vrij,zonder) gaan doen WW(inf,vrij,zonder) doen . LET() . maar VG(neven) maar ... LET() ... ja TSW() ja 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het is WW(pv,tgw,ev) zijn echt ADJ(vrij,basis,zonder) echt een LID(onbep,stan,agr) een beroepsopleiding N(soort,ev,basis,zijd,stan) beroepsopleiding . LET() . ja TSW() ja en VG(neven) en 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het gaat WW(pv,tgw,met-t) gaan mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) mij echt ADJ(vrij,basis,zonder) echt om VZ(init) om 't LID(bep,stan,evon) het uh TSW() uh ... LET() ... ja TSW() ja om VZ(init) om om VZ(init) om 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het ervan BW() ervan genieten WW(inf,vrij,zonder) genieten zeg WW(pv,tgw,ev) zeggen maar BW() maar . LET() . hum TSW() hum . LET() . en VG(neven) en niet BW() niet al VNW(onbep,det,stan,vrij,zonder) al die VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,rest) die polka's N(soort,mv,basis) polka te VZ(init) te draaien WW(inf,vrij,zonder) draaien en VG(neven) en zo BW() zo maar BW() maar . LET() . als VG(onder) als ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) er ook BW() ook geld N(soort,ev,basis,onz,stan) geld mee VZ(fin) mee kan WW(pv,tgw,ev) kunnen verdienen WW(inf,vrij,zonder) verdienen waarom BW() waarom niet BW() niet ? LET() ? mee VZ(fin) mee uh TSW() uh b*a SPEC(afgebr) _ bijschnabbelen*n N(soort,mv,basis) _ . LET() . ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat zou WW(pv,verl,ev) zullen prima ADJ(vrij,basis,zonder) prima kunnen WW(inf,vrij,zonder) kunnen hoor TSW() hoor . LET() . hum TSW() hum . LET() . ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben uh TSW() uh ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben ook BW() ook genoeg BW() genoeg vrienden N(soort,mv,basis) vriend die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon 'n LID(onbep,stan,agr) gewoon gewone ADJ(prenom,basis,met-e,stan) gewoon baan N(soort,ev,basis,zijd,stan) baan hebben WW(pv,tgw,mv) hebben en VG(neven) en daarnaast BW() daarnaast gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon muziek N(soort,ev,basis,zijd,stan) muziek maken WW(inf,vrij,zonder) maken en VG(neven) en daar VNW(aanw,adv-pron,obl,vol,3o,getal) daar ook BW() ook echt ADJ(vrij,basis,zonder) echt heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel veel VNW(onbep,grad,stan,prenom,zonder,agr,basis) veel geld N(soort,ev,basis,onz,stan) geld mee VZ(fin) mee verdienen WW(inf,vrij,zonder) verdienen . LET() . hum TSW() hum . LET() . bedoel WW(pv,tgw,ev) bedoelen die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die werken WW(pv,tgw,mv) werken xxx SPEC(onverst) xxx . LET() . ja TSW() ja één N(soort,mv,basis) één vriend N(soort,ev,basis,zijd,stan) vriend van VZ(init) van mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) mij die VNW(betr,pron,stan,vol,persoon,getal) die verdient WW(pv,tgw,met-t) verdienen evenveel TW(hoofd,vrij) evenveel met VZ(init) met zijn VNW(bez,det,stan,vol,3,ev,prenom,zonder,agr) zijn gewone ADJ(prenom,basis,met-e,stan) gewoon baan N(soort,ev,basis,zijd,stan) baan en VG(neven) en die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die is WW(pv,tgw,ev) zijn projectontwikkelaar N(soort,ev,basis,zijd,stan) projectontwikkelaar als VG(onder) als met VZ(init) met zijn VNW(bez,det,stan,vol,3,ev,prenom,zonder,agr) zijn band N(soort,ev,basis,zijd,stan) band . LET() . dus BW() dus ja TSW() ja ... LET() ... dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat gaat WW(pv,tgw,met-t) gaan goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed . LET() . dubbel ADJ(prenom,basis,zonder) dubbel loon N(soort,ev,basis,onz,stan) loon . LET() . dus BW() dus dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat gaat WW(pv,tgw,met-t) gaan goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed . LET() . ja TSW() ja dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat is WW(pv,tgw,ev) zijn zo'n VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,agr) zo'n uh TSW() uh zo'n VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,agr) zo'n funkband*n N(soort,ev,basis,zijd,stan) zo'n . LET() . dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat gaat WW(pv,tgw,met-t) gaan heel ADJ(vrij,basis,zonder) heel goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed . LET() . nou BW() nou dan BW() dan kun WW(pv,tgw,ev) kunnen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je op VZ(init) op allerlei ADJ(prenom,basis,zonder) allerlei feesten N(soort,mv,basis) feest spelen WW(inf,vrij,zonder) spelen en VG(neven) en ... LET() ... koninginnedag N(soort,ev,basis,zijd,stan) koninginnedag . LET() . en VG(neven) en allerlei ADJ(prenom,basis,zonder) allerlei uh TSW() uh activiteiten N(soort,mv,basis) activiteit en VG(neven) en dan BW() dan uh TSW() uh ... LET() ... is WW(pv,tgw,ev) zijn is WW(pv,tgw,ev) zijn hij VNW(pers,pron,nomin,vol,3,ev,masc) hij ook BW() ook zijn VNW(bez,det,stan,vol,3,ev,prenom,zonder,agr) zijn eigen ADJ(prenom,basis,zonder) eigen impresario N(soort,ev,basis,onz,stan) impresario ? LET() ? nou BW() nou de LID(bep,stan,rest) de drummer N(soort,ev,basis,zijd,stan) drummer die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die doet WW(pv,tgw,met-t) doen dan BW() dan een LID(onbep,stan,agr) een beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje 't LID(bep,stan,evon) het werk N(soort,ev,basis,onz,stan) werk ze VNW(pers,pron,stan,red,3,mv) ze zijn WW(pv,tgw,mv) zijn geloof WW(pv,tgw,ev) geloven ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik wel BW() wel aangesloten WW(vd,vrij,zonder) aansluiten bij VZ(init) bij een LID(onbep,stan,agr) een uh TSW() uh bij VZ(init) bij 'n LID(onbep,stan,agr) bij impresariaat N(soort,ev,basis,onz,stan) impresariaat . LET() . en VG(neven) en die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die uh TSW() uh die VNW(aanw,pron,stan,vol,3,getal) die vangt WW(pv,tgw,met-t) vangen dan BW() dan ook BW() ook wel BW() wel redelijk ADJ(vrij,basis,zonder) redelijk wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) wat uh TSW() uh ... LET() ... maar VG(neven) maar ja TSW() ja goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed als VG(onder) als je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je een LID(onbep,stan,agr) een goeie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) goed band N(soort,ev,basis,zijd,stan) band heb WW(pv,tgw,ev) hebben je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je een LID(onbep,stan,agr) een goeie ADJ(prenom,basis,met-e,stan) goed reputatie N(soort,ev,basis,zijd,stan) reputatie kan WW(pv,tgw,ev) kunnen je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je zo BW() zo een LID(onbep,stan,agr) een paar N(soort,ev,basis,onz,stan) paar duizend TW(hoofd,prenom,stan) duizend euro*u N(soort,ev,basis,zijd,stan) euro vragen WW(inf,vrij,zonder) vragen uh TSW() uh . LET() . ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja . LET() . ja TSW() ja . LET() . leuk ADJ(vrij,basis,zonder) leuk . LET() . per VZ(init) per keer N(soort,ev,basis,zijd,stan) keer dus BW() dus uh TSW() uh . LET() . ja TSW() ja . LET() . goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed da's N(soort,mv,basis) da's een LID(onbep,stan,agr) een funkband*n ADJ(prenom,basis,zonder) een funkmuziek*n N(soort,ev,basis,onz,stan) een vind WW(pv,tgw,ev) vinden ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik ook BW() ook erg ADJ(vrij,basis,zonder) erg leuk ADJ(vrij,basis,zonder) leuk . LET() . dus BW() dus dat VNW(aanw,pron,stan,vol,3o,ev) dat uh TSW() uh ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) ik heb WW(pv,tgw,ev) hebben ook BW() ook zelf BW() zelf zo'n VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,agr) zo'n band N(soort,ev,basis,zijd,stan) band gehad WW(vd,vrij,zonder) hebben . LET() . is WW(pv,tgw,ev) zijn ook BW() ook een LID(onbep,stan,agr) een leuke ADJ(prenom,basis,met-e,stan) leuk bijverdienste N(soort,ev,basis,zijd,stan) bijverdienste naast VZ(init) naast je VNW(bez,det,stan,red,2v,ev,prenom,zonder,agr) je naast VZ(init) naast je VNW(bez,det,stan,red,2v,ev,prenom,zonder,agr) je studie N(soort,ev,basis,zijd,stan) studie . LET() . 't VNW(pers,pron,stan,red,3,ev,onz) het zegt WW(pv,tgw,met-t) zeggen mij VNW(pr,pron,obl,vol,1,ev) mij helemaal BW() helemaal niks VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) niks hoor TSW() hoor . LET() . funk N(soort,ev,basis,zijd,stan) funk ? LET() ? nee TSW() nee nee TSW() nee . LET() . nou BW() nou funk N(soort,ev,basis,zijd,stan) funk is WW(pv,tgw,ev) zijn een LID(onbep,stan,agr) een beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje nou BW() nou soul N(soort,ev,basis,zijd,stan) soul weet WW(pv,tgw,ev) weten je VNW(pers,pron,nomin,red,2v,ev) je beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje Aretha SPEC(deeleigen) Aretha Franklin SPEC(deeleigen) Franklin dat VNW(aanw,det,stan,prenom,zonder,evon) dat soort N(soort,ev,basis,onz,stan) soort dingen N(soort,mv,basis) ding James SPEC(deeleigen) James Brown SPEC(deeleigen) Brown een LID(onbep,stan,agr) een beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) beetje dans*a SPEC(afgebr) _ dans*a SPEC(afgebr) _ dansbare ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ muziek N(soort,ev,basis,zijd,stan) _ . LET() _ nee TSW() _ . LET() _ een LID(onbep,stan,agr) _ beetje N(soort,ev,dim,onz,stan) _ laten WW(pv,tgw,mv) _ we VNW(pers,pron,nomin,red,1,mv) _ zeggen WW(inf,vrij,zonder) _ ... LET() _ ja TSW() _ maar VG(neven) _ uh TSW() _ maar VG(neven) _ ... LET() _ is WW(pv,tgw,ev) _ er VNW(aanw,adv-pron,stan,red,3,getal) _ niet-dansbare*u ADJ(prenom,basis,met-e,stan) _ muziek N(soort,ev,basis,zijd,stan) muziek ? LET() ? ja TSW() ja . LET() . nou BW() nou ja TSW() ja goed ADJ(vrij,basis,zonder) goed de LID(bep,stan,rest) de ene VNW(onbep,det,stan,prenom,met-e,evz) een muziek N(soort,ev,basis,zijd,stan) muziek is WW(pv,tgw,ev) zijn wat VNW(onbep,pron,stan,vol,3o,ev) wat meer VNW(onbep,grad,stan,vrij,zonder,comp) veel opzwepend WW(od,prenom,zonder) opzwepen met VZ(init) met een LID(onbep,stan,agr) een bepaald ADJ(prenom,basis,zonder) bepaald ritme N(soort,ev,basis,onz,stan) ritme zeg WW(pv,tgw,ev) zeggen maar BW() maar uh TSW() uh gewoon ADJ(vrij,basis,zonder) gewoon echt ADJ(vrij,basis,zonder) echt uh TSW() uh ... LET() ... hoe BW() hoe noem*x WW(pv,tgw,ev) noemen d*a SPEC(afgebr) _ nou BW() _ Pim N(eigen,ev,basis,zijd,stan) Pim wat VNW(excl,pron,stan,vol,3,getal) _ heerlijk ADJ(vrij,basis,zonder) _ dat VG(onder) _ ik VNW(pers,pron,nomin,vol,1,ev) _ met VZ(init) _ jou VNW(pers,pron,obl,vol,2v,ev) _ mag WW(pv,tgw,ev) _ gaan WW(inf,vrij,zonder) _ praten WW(inf,vrij,zonder) _ . LET() _